Agenda

21 oktober 2014
Train de trainer per discipline

23 oktober 2014
Train de trainer per discipline

25 oktober 2014
Behendigheid competitie

15 november 2014
Behendigheid competitie

18 november 2014
SHH proefexamen

Diploma

De oefeningen voor het A-diploma bestaan uit:

(A) Aangelijnd en los volgen; hier moeten geleider en hond een kort parcours afleggen in de vorm van een zandloper.
(B) Komen op bevel met verleiding; hier moet de hond door de geleider over een afstand van ca. 35 meter worden voorgeroepen, terwijl er links en rechts diverse verleidingen liggen, zoals voetballen, bakken en paraplu’s.
(C) Houden van de aangewezen plaats; twee honden worden tegelijk afgelegd waarna de geleiders twee minuten uit zicht gaan.
(D) Apport te land; de hond moet zijn eigen blok of dummy (in de apporteersport wordt er niet met wild gewerkt) die op ca. 30 meter afstand met een 6mm schot wordt opgegooid, netjes apporteren en bij de geleider terugbrengen.
(E) Apport over een hindernis; de hond moet, nadat hij/zij over een hindernis is gesprongen, het opgegooide apporteervoorwerp gaan halen en netjes bij de geleider terugbrengen. Dit over een afstand van ca. 25 meter.


Voor het B-diploma komen er de volgende oefeningen bij:

(F) Verloren apport te land; in een gebied met verleidingen is het apport van de hond verstopt. Zowel de geleider als de hond weten niet waar. De verleidingen kunnen bijvoorbeeld een aantal (omver gegooide) behendigheidstoestellen of (ook omver gegooide) coniferen zijn. Zodra de hond het commando heeft gekregen om het apport te gaan zoeken en vervolgens te apporteren mag er geen zichtcontact meer zijn tussen geleider en hond.
(G) Markeer apport te land; hierbij wordt op een afstand van ca. 60 meter het apporteervoorwerp voor de hond zichtbaar opgegooid. Het voorwerp valt vervolgens, voor de hond niet zichtbaar, op de grond. Het is de bedoeling dat de hond tijdens deze oefening de valplaats onthoudt en zodra hij gestuurd wordt in één rechte lijn naar de valplaats gaat. De hond mag dus in geen geval gaan zoeken.
(H) Combinatie appèl en apport; de hond wordt naar een zitpunt gestuurd op ca. 30 meter afstand. Het apport wordt met een schot van het alarmpistool op ca. 10 meter haaks t.o.v. de inzetplaats opgegooid. Na opdracht van de keurmeester geeft de begeleider de hond de opdracht voor te komen. Als de hond voor is gekomen mag de begeleider naar eigen inzicht de hond inzetten naar het opgegooide apport.


Voor het C-diploma komen er weer een drietal oefeningen bij:

(I) De dirigeerproef te land; hierbij weet de geleider waar het apporteervoorwerp ligt, maar de hond niet en deze kan het apporteervoorwerp ook niet zien liggen. De geleider moet de hond eerst ca. 60 meter vooruit sturen naar een zogenaamde stopplaats. Daarna moet de hond weer 30 meter verder (links of rechts) worden gedirigeerd, naar het apporteervoorwerp.
(J) Apporteren vanuit een linie; de proef begint maximaal 50 meter vanaf de waterkant/bak. Minimaal drie geleiders moeten met hun honden los volgend in een aangegeven richting lopen. De geleiders lopen zo’n 5 meter uit elkaar op linie. Op het geluid van een schot moeten de geleiders halt houden. Dan wordt er een dummy opgegooid die in het water terechtkomt. Op aanwijzing van een keurmeester wordt in linie verder gelopen. Na ongeveer 10 meter volgt van een keurmeester het commando links of rechtsomkeer, waarna de combinaties in linie teruglopen naar het beginpunt waar na wederom een links of rechtsomkeer wordt halt gehouden. Op aanwijzing van een keurmeester, die daarvoor het startnummer van de begeleider roept, moet de hond het apport apporteren. De proef wordt afgelegd met door de organisatie beschikbaar gestelde apporten.
(K) Apport door water; de hond moet nadat hij door het water is gegaan in een beperkt gebied zijn apporteervoorwerp gaan zoeken en vervolgens apporteren. Voor het water hoeft niet altijd een sloot gebruikt te worden, ook een waterbak, gemaakt van strobalen met daarin zeil en vervolgens gevuld met water kan op een diplomadag gebruikt worden.


Bij de apporteersport kan iedereen die in een klas heeft ingeschreven en daarvoor niet slaagt, toch een diploma voor een lagere klas krijgen. Maar prijzen kunnen alleen worden gewonnen in de klasse waarin is ingeschreven.

Naast diplomadagen waar je een A, B of C diploma kan behalen zijn er ook werkproeven. Op een werkproef moeten er een vijftal proeven gedaan worden die uit verschillende onderdelen kunnen bestaan.